en English de Deutsch
 

19.01.2011/EN – vertaling Nederlands 13.05.2011
FCI-Standard N° 314

NEDERLANDSE KOOIKERHONDJE

Vertaling: Lydia Erhart. Bewerkt door Renée Sporre-Willes / Originele versie : (EN).

Stand Nederlandse Kooikerhondje Hoofd Nederlandse Kooikerhondje

Deze afbeeldingen laten niet noodzakelijkerwijs het ideale voorbeeld van het ras zien.

 

Land van oorsprong: Nederland.

Publicatiedatum van de officieel geldende standaard: 13.10.2010.

Gebruik: Werkende hond en gezelschapshond gebruikt voor de eendenkooi.

FCI-classificatie: Groep 8 Retrievers – Spaniels – Waterhonden.
Sectie 2 Spaniels.
Zonder werkproef.
 
Kort historisch overzicht

In 1942, gedurende de Tweede Wereldoorlog, is mevrouw Baronesse Van Hardenbroek van Ammerstol begonnen met de terugfok van het Kooikerhondje. Ze stuurde een marskramer op pad met een foto van het type hondje dat zij zocht. Op een boerderij in Friesland ontdekte deze het hondje Tommy dat de stammoeder van het hedendaagse Kooikerhondje werd. In 1966 keurde de Raad van Beheer de voorlopige rasstandaard goed en in 1971 werd het ras officieel erkend.

Het Kooikerhondje werd oorspronkelijk en wordt nu nog in de eendenkooi gebruikt. Zijn taak is nog steeds de eenden met zijn vrolijk wuivende staart in de kooi te lokken; hij jaagt niet op de eenden. Hij loopt kalm tussen de schermen van de kooi door zodat hij de nieuwsgierigheid van de eenden opwekt en hen steeds verder de vangpijp in lokt, waar de eenden in een vanghok gevangen worden. Ze worden of gedood voor consumptie of geringd voor ornithologisch onderzoek.

Algemeen voorkomen

Het kooikerhondje is een harmonisch gebouwd, oranje-rood bont jachthondje van vrijwel kwadratische lichaamsverhoudingen. Hij gaat met opgeheven hoofd; in actie wordt de goed bevederde staart wuivend in het verlengde van of boven de ruglijn gedragen. De oren hebben zwarte haarpunten, de “oorbellen”. De hond wordt met een natuurlijke, niet getoiletteerde vacht voorgebracht.

Belangrijke verhoudingen

De lengte van het lichaam, gemeten van het boeggewricht tot het zitbeen, kan iets meer zijn dan de schofthoogte. Schedel en voorsnuit zijn ongeveer even lang.

Gedrag en karakter

Levendig en beweeglijk, zelfbewust en met voldoende doorzettings- en uithoudingsvermogen, goedaardig en attent, maar niet luidruchtig. Het ras is trouw, makkelijk in de omgang en vriendelijk.
Buiten het jachtseizoen moet het hondje schadelijk wild kunnen vinden en verdelgen; daarom moet hij fel, snel en hard zijn. Hij is een echt jachthondje dat attent en energiek is en werklust en een opgewekt karakter heeft.

Hoofd

Het hoofd is matig lang, passend in het totaalbeeld, droog en vloeiend belijnd.

Schedelgedeelte

Schedel: voldoende breed, matig gewelfd.
Stop: van opzij gezien duidelijk zichtbaar maar niet te diep.

 

Voorsnuitgedeelte

Neus: zwart en goed ontwikkeld.
Voorsnuit: van opzij gezien niet te diep en licht wigvormig; van boven gezien niet te smal toelopend en goed opgevuld onder de ogen.
Lippen: bij voorkeur goed gepigmenteerd, goed aansluitend en niet overhangend.
Kaken / gebit: schaargebit; compleet is gewenst. Tanggebit is toegestaan maar minder gewenst.
Ogen: amandelvormig, donkerbruin met een vriendelijke, attente uitdrukking.
Oren: matig groot, aanzetting iets boven de lijn van de punt van de neus tot de ooghoek. De oren worden vlak, zonder vouw tegen de wangen gedragen. Goed bevederd; zwarte haarpunten (de oorbellen) zijn zeer gewenst.
Hals

Krachtig gespierd, voldoende lang en droog.

Lichaam
Bovenbelijning: vloeiende lijn van de schoft tot de staart.
Rug: krachtig en recht, vrij kort.
Lendenen: van voldoende lengte en breedte, krachtig gespierd.
Bekken: licht hellend en voldoende breed; de lengte van het bekken is 1,5 maal de breedte.
Borst: reikt tot aan de ellebogen met voldoende gewelfde ribben. Voldoende ontwikkelde voorborst.
Onderbelijning en buik: licht oplopend naar de lendenpartij.
Staart

Bij de aanzet de bovenbelijning van het lichaam volgend, in het verlengde van de bovenbelijning gedragen of bijna verticaal omhoog (vrolijk). Goed bevederd met een witte pluim. De laatste staartwervel moet tot het spronggewricht reiken.

Ledematen

Voorhand

Schouder: schouder voldoende schuin zodat een vloeiende overgang van hals naar rug wordt verkregen.
Opperarm: goed gehoekt ten opzichte van het schouderblad dat van gelijke lengte is.
Elleboog: goed aansluitend tegen het lichaam.
Onderbeen: recht en parallel, stevig bot van voldoende sterkte en lengte.
Middenvoet: sterk en iets schuin.
Voorvoeten: klein, licht ovaal, compact met goed aangesloten tenen die naar voren wijzen.

 

Achterhand

Algemeen voorkomen: goed gehoekt, van achteren gezien recht en parallel. Stevig bot.
Dijbeen: goed gespierd.
Onderbeen: van gelijke lengte als het dijbeen.
Spronggewricht: laaggeplaatst.
Achtervoeten: als voorvoeten.
Gangwerk / beweging

Moet vloeiend en elastisch zijn, goed uitgrijpend, stuwend. Ledematen parallel.

Vacht

Beharing
Middelmatig lang, lichtgolvend of sluik en glad aanliggend. Zacht haar. Goed ontwikkelde ondervacht. Voorbenen moeten matige bevedering hebben die reikt tot het polsgewricht. Achterbenen hebben een vrij langbehaarde broek; onder het spronggewricht geen bevedering. De beharing op het hoofd, de voorkant van de benen en voeten dient kort te zijn. Voldoende bevedering aan de onderzijde van de staart. Langer haar op de keel en voorborst. Oorbellen (lange zwarte haarpunten) zijn zeer gewenst.

Kleur
Duidelijke platen van oranje-rode kleur op zuiver wit, hoewel enkele kleine vlekjes op de benen toegestaan zijn. De oranje-rode kleur moet overwegen. Iets zwart doorschoten zijn van de oranje-rode kleur en een lichte vorm van ticking zijn toegestaan maar minder gewenst.
Aftekening op het hoofd: een duidelijk zichtbare bles die tot aan de neus doorloopt. Gekleurde wangen en gekleurd rond de ogen. Een te smalle of te brede bles of maar gedeeltelijk gekleurde wangen zijn minder gewenst.
Een zwarte staartring bij de overgang van oranje-rood naar wit is toegestaan.

Maat
Ideale schofthoogte: Reuen: 40 cm
Teven: 38 cm
Marge: 2 cm boven of 3 cm onder de ideale maten zijn toegestaan.
Fouten

Elke afwijking van de voorgaande punten moet als een fout beschouwd worden en de ernst waarmee de fout moet worden beoordeeld moet in gelijke verhouding staan tot de mate en de functionele gezondheid en het welzijn van de hond en tot zijn vermogen om zijn oorspronkelijke werk uit te oefenen.

  • Te kleine oren.
  • Open gedragen oren.
  • Krulstaart.
  • Steppend gangwerk.
  • Krullend of zijdezacht haar.
  • Kleur die sterk met zwarte haren doorschoten is in de oranje-rode platen..
  • Teveel ticking.
  • Boven de maximum maat of onder de minimum maat.
Ernstige fouten
  • Angstig gedrag.
  • Duidelijk laag op de benen, buiten de verhouding.
  • Blauw (glas)oog.
  • Boven- of ondervoorbeet.
  • Te korte staart die niet tot het spronggewricht reikt.
  • Een geheel of gedeeltelijk wit oor.
  • Haarkleur rond één of beide ogen wit.
Diskwalificerende fouten
  • Agressief of overmatig verlegen.
  • Iedere hond die duidelijk fysieke of gedragsafwijkingen vertoont dient gediskwalificeerd te worden.
  • Zwart-witte kleur of driekleur.

N.B.: Reuen moeten twee ogenschijnlijk normale testikels hebben die volledig in het scrotum zijn ingedaald.