Uitslag risico-inschatting

Begin dit jaar heeft de VHNK een risico-inschatting voor polymyositis aangeboden. Dit was bedoeld als tijdelijke oplossing tot de tijd dat Fit2Breed beschikbaar komt. Helaas bleek in de afgelopen periode dat de manier van beoordelen door prof. Leegwater niet aansluit bij de verwachtingen van onze fokkers in binnen- en buitenland.

De fokker ontvangt namelijk een uitslag voor één toevallig gekozen combinatie, ook als meerdere van de opgegeven combinaties als laag risico zijn beoordeeld. Dit gebeurt om geen conclusie mogelijk te maken over dragers.

Als wetenschapper is het voor prof. Leegwater belangrijk dat er vanuit de beoordeling niet opgemaakt kan worden of de honden drager of vrij zijn van polymyositis. Als dat mogelijk zou zijn, zouden er onnodig honden worden uitgesloten van de fokkerij.

Waarom worden vanuit Utrecht geen resultaten vrijgegeven voor de overige honden? Het antwoord ligt in het volgende schrijven dat we in december op de website hebben gepubliceerd:

Polymyositis onderzoek (Dr. Peter Leegwater, Yvet Opmeer & Dr. Paul Mandigers)

Er is goed nieuws. We hebben een mutatie gevonden die geassocieerd kan worden met polymyositis. Alle door ons onderzochte honden met polymyositis hebben deze mutatie. Deze mutatie ligt in de buurt van twee belangrijke genen die betrokken zijn bij het functioneren van het immuunapparaat. Het blijkt dat kooikerhondjes die lijden aan polymyositis een abnormale functie van deze twee genen hebben. De mutatie heeft dus zonder twijfel betekenis.

Echter niet alle honden met deze mutatie worden ziek. Honden die homozygoot zijn voor deze mutatie (ze hebben dus twee afwijkende allelen) hebben een verhoogd risico, maar worden niet allemaal ziek. Dat zien we vaker bij immuungemedieerde ziektes. Omgevingsfactoren of variaties in het overige DNA kunnen ervoor zorgen dat een hond wel, of juist niet ziek wordt. Daarom noemen we deze mutatie een risicofactor.
Ook heterozygote honden (dus met maar één afwijkend allel) lopen een risico. Dat risico is erg klein (waarschijnlijk minder dan 1 procent), maar het is wel aanwezig. Omdat er erg veel kooikerhondjes zijn met deze mutatie, zien we dan dat ongeveer 1 op de 3 lijders van polymyositis heterozygoot (drager) is voor de erfelijke risicofactor.

Dat er andere factoren een rol spelen bleek uit stamboomonderzoek. Het viel ons op dat in sommige nesten meerdere honden ziek werden. Dat zou niet logisch zou zijn als de mutatie maar bij een klein deel van de kooikerhondjes tot expressie komt. Als er echter een variatie in het DNA aanwezig is waardoor een hond meer of juist minder risico loopt, verklaart dit wel wat we zien in sommige nesten.

Om deze variatie op te sporen is het DNA vergeleken van een groep honden die lijdt aan polymyositis én heterozygoot is voor de mutatie, met dat van een groep honden die homozygoot is voor de mutatie én waarvan alle honden gedurende hun leven gezond zijn gebleven. Deze vergelijking leidde tot signalen op twee chromosomen die verder onderzocht zijn.

Het eerste signaal leidde tot een DNA-variant die veelbelovend leek, maar het bleek dat deze in de gehele populatie een hoge frequentie heeft. Het was een foutpositief resultaat dat op toeval berustte.
Het tweede signaal kon nog niet herleid worden tot een variant in een gen. Dit onderzoek wordt voortgezet.

We hopen dat hiermee eventuele onduidelijkheden omtrent de ontvangen uitslag zijn opgelost.

Mocht u toch nog een risico inschatting willen aanvragen dan kan dit via: Aanvraag risico-inschatting polymyositis.